
| De lang vergeten streektaalpionier Johannes Henricus Behrns (1803-1883)
was met Fier de eerste die een Twents gedicht schreef voor publicatie,
in de Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren van 1838.
In dezelfde aflevering stond zijn Leed van nen armen beddelman, een Twentse vertaling van een Duits gedicht van Ludwig Uhland. Met zijn taalstudie Over de Twentsche Vocalen en Klankwijzigingen was hij in 1839 zijn tijd zelfs ver vooruit. Van zijn hand is ook de eerste Woordenlijst van het Twentsch dialect met zo'n 1200 woorden. Meer over J.H. Behrns bij de DBNL. Het gedicht Fier is hieronder omwille van de leesbaarheid voor een groot publiek weergegeven in een gangbare Twentse spelling. |
|
|
|
Fier Zie zoo, now sprek ik van geluk, En haal de deuze oet 'n tuk, En smook ne piepe vol tabak, En goa noar hoes op mien gemak. De blesse had et ook wal zwoar, Den schoem steet em op hoed en hoar. Hee hank den kop, em sleet den boog, Hee dech misschien: 't is ook genoog. Now jonge, loat den ploog meer stoan, Hee zal di-j doar nich lopen goan: Hee wacht di-j wal tot morgen vroo! Now ik noar 't wief en dow noar 't stroo. |
Fier Zie zo, nu spreek ik van geluk, En haal de doos uit m'n zak, En rook een pijp vol tabak, En ga naar huis op m'n gemak. De bles had het ook wel zwaar, Het schuim staat hem op huid en haar. Hij laat z'n kop hangen, z'n buik slaat, Hij denkt misschien: zo is 't ook wel genoeg. Nou jongen, laat die ploeg maar staan, Hij zal er wel niet vandoor gaan: Hij wacht wel op je tot morgenvroeg! Nu ik naar de vrouw en jij naar 't stro. (letterlijke vertaling G.v.d.V.) |